I. Zijn leergierige jeugd, zijn schrijftalent Tot aan zijn universitaire studies
FFélix Bastin werd op 25 oktober 1870 in Amay geboren. Hij is het derde kind van Léopold Bastin en zijn echtgenote, geboren Reuviaux; zijn gezin bestaat uit vijf kinderen: twee jongens en drie meisjes. Hij is het derde kind. De oudste van het gezin heet Félicienne (geboren op 26 november 1866 in Luik en overleden op 16 februari 1869 in Amay, Luik, België, op 2-jarige leeftijd). De tweede in de broers- en zussenreeks is Lucien, geboren op 1 april 1869. Hij was postbeambte. Het vierde kind is Célina Marie, geboren op 25 november 1872 in Amay. En het vijfde kind is Esther Marie Elise, geboren op 21 februari 1874.)
Het fortuin is niet aan de orde in het huis. Zijn overgrootvader had in welstand geleefd, want hij behoorde tot een vooraanstaande familie uit Spy, die zowel molenaars als brouwers waren, zoals er onder het Ancien Régime veel waren, vaak bloeiende kleine bedrijven.
Aan het einde van de 18e eeuw was zijn grootvader, de jongste van de familie, nog minderjarig toen hij zijn vader verloor. Hij voelde zich benadeeld bij de verdeling van de nalatenschap en verontwaardigd of wanhopig verliet hij Spy en ging bescheiden in Amay wonen.
Zijn neven bleven daarentegen in Spy wonen en aan het einde van de 19e eeuw is het een van de karaktereigenschappen van Félix Bastin dat hij, toen hij zijn studie geneeskunde was begonnen, weer contact zocht met zijn neven in Spy.
De familierelaties werden weer hartelijk, wat ervoor zorgde dat de schrijver van deze regels vaak terugkeerde naar het dorp van zijn voorouders.
Uiteindelijk ging hij daar wonen in een huis dat hij in 1936 had gekocht.
*****
Op het college Notre-Dame de la Paix in Namen doorliep Félix Bastin een schitterende schoolcarrière. Hij schreef even gemakkelijk in versvorm als in proza; hij was een dichter. Hij heeft talrijke werken nagelaten, zowel in manuscriptvorm als gedrukt, die hij bewaarde door ze te binden.
Het eerste boekje dateert uit 1887, hij is dan 17 jaar oud en stelt eerst een specifiek schrijversvocabulaire samen, gevolgd door een reeks opstellen en zelfs een « tragedie in vijf zangen », getiteld « Tragédie de César ».
Hij lijkt niet voorbestemd om arts te worden, laat staan militair arts; hij lijkt vooral aangetrokken tot alles wat met de natuur te maken heeft en lijkt erop gebrand zich uit te drukken.
Dit is voor hem de gelegenheid om de carrière van deze grote militair te beschrijven. Hij sluit elk van zijn zangen af met een pentekening, bijvoorbeeld van een Romeinse helm.
Was daarmee zijn koers naar het leger al uitgestippeld?
Hij is ook een zeer bekwaam tekenaar, want aan het einde van een ander lied is zelfs een zeer gedetailleerde tekening te zien van een Romeinse tempel.
Zijn werken uit 1887 zetten deze lijn voort met een reeks fabels die vaak door de natuur zijn geïnspireerd en die kunnen worden beschouwd als « in de stijl van La Fontaine ». Niet al zijn werken vinden echter de goedkeuring van zijn leraar; op een ervan schrijft deze: « te lang ».
*****
IIn 1888 moet hij in poëzie gegaan zijn, want het is een klein werkje waarin hij vaker in verzen schrijft dan in proza. De natuur lijkt hem altijd te inspireren, bijvoorbeeld zijn gedicht over « la mésange (de mees) ».
Elk van zijn werken roept de natuur op in bewoordingen die blijk geven van een grote kennis ervan en zijn verbondenheid ermee.
*******
Het derde boekje dateert uit 1889 en bevat vier brieven en drie satires. Het vierde draagt de titel « Cahier de rédactions françaises »
Deze geschriften lijken eerder het werk van een retoricus te zijn.
Het ene is getiteld « L'esprit est lent (de geest is traag) », het tweede « L'automne (de herfst) », het derde « Léon et Philomène » en het vierde « Le médecin aux cerises (De kersenarts) », nog een teken van zijn voorgevoel over zijn toekomstige beroep.
De vijfde is een korte detective met de titel « Un vrai mystère (Een echt mysterie) ».
Aan het einde van zijn studie schreef hij een prozatekst die hij « Réhabilitation de l’âne (Rehabilitatie van de ezel) » noemde, waarin hij in een ontroerende tekst zonder aarzelen medelijden toonde met het trieste lot van dit achtergestelde dier.
Zijn meest geslaagde werk is echter een komedie in drie bedrijven, eveneens in versvorm, getiteld « Pour un Chapon (voor een kapoen = een gecastreerde haan die wordt vetgemest voor consumptie) » , ondertekend met het pseudoniem NITSAB, een anagram van zijn achternaam.
Het stuk bleek zo grappig dat de uitgeverij Godenne in Namen het in 1895 uitgaf; hij was toen nog maar net 25 jaar oud.
We geven de tekst van dit werk opnieuw uit, met op het voorblad opnieuw een tekening van zijn hand. « Un chapon », het onderwerp van zijn werk.
******